Blog

Terug naar Duivendrecht

NH47

“Ik heb een nieuwe werkplek.”

“Leuk”, zei mevrouw Braun, “waar precies?”

“In Amsterdam.”

“Amsterdam? Waarom helemaal in Amsterdam?”

Ik heb het even uitgelegd. Ik zat in Hilversum, en dat is bij ons om de hoek, in een oude basisschool met nog vier zzp’ers in een klaslokaal. Best leuk, maar ik miste de inspiratie en de kruisbestuivingen, die mij waren beloofd. Hij staat ook in een niet zo florissante buurt, die school, en met de andere bewoners was slechts sporadisch contact. Ja, met mijn klasgenoten had ik de grootste lol, maar ik had me vooral bij deze gezamenlijke werkplek aangesloten omdat ik meer werk verwachtte, met allemaal zelfstandigen om me heen. Maar dat kwam eenvoudigweg niet van de grond. En dus hebben we, mijn roommates en ik, besloten te verkassen. Mijn oog viel op de Nieuwe Herengracht 47, kortweg NH47 genoemd. Via Facebook. Twaalf zelfstandigen, vooral tekstschrijvers. 1 man, 11 vrouwen. Maar dáár ging het niet om, heb ik mevrouw Braun met de hand op mijn hart gezworen.

“Hoe ga je daarheen?”

“Op de fiets”, zei ik stoer. “En soms met de trein. Prima verbinding. Vanaf Bussum-Zuid naar station Duivendrecht en dan…”

“Sorry!?”, zei ze met de schrik in de ogen.

Station Duivendrecht.

Station Duivendrecht speelt een nogal belangrijke rol in mijn eerste boek Ga toch fietsen! Op station Duivendrecht begon mijn drankverslaving. Daar, op station Duivendrecht, nam ik een biertje om de tijd te doden totdat de vertraagde trein zou komen. Daar, op station Duivendrecht, liet ik mijn trein voorbij gaan (over een half uur komt er nog wel één) omdat ik aan één biertje lang niet meer genoeg had. Ooit werd ik geïnterviewd door Dolf Jansen van Spijkers met Koppen die Duivendrecht het meest treurige station van Nederland vond en dat kon ik beamen. Toch zat ik er vaak. En dronk ik er veel. En rookte ik er veel.

Allemaal verleden tijd. Ik ben inmiddels zo’n vier jaar en 25.000 fietskilometers verder, rook niet meer en drink alleen nog af en toe op een feestje of in de tuin, wijn met mevrouw Braun. Ik ging in Baarn werken, dat deed ik op de fiets, kwam niet meer op een treinstation, en werd later zzp’er in een school in Hilversum.

En nu ga ik weer naar Amsterdam.  Via station Duivendrecht. Ik stond er totaal niet bij stil dat daar alle ellende begon. Mevrouw Braun wel. Ja, noú. Die houdt nu elke keer haar adem in als ik de trein neem naar Duivendrecht. Ik kan er alleen om lachen. Das war einmal.

Vader en zoon

captain maxHij barst van de goede bedoelingen en is een liefhebber pur sang. Hij kent het Portugese middenveld uit z’n hoofd en weet hoe de hond van Guidetti heet. Hij beheerst het vakjargon als geen ander. Hij heeft het over ‘venijn in dat schot’ en ‘de keeper in de korte hoek verrassen’. Gisteren betwijfelde hij of Virgil van Dijk van FC Groningen wel uit het veld gestuurd had moeten worden. Hij vond van niet, zeker omdat het ‘direct rood’ was. ‘Direct rood’, dat betekent geen tweede gele kaart, nee meteen eruit. ‘Direct rood’. Als mijn zoon (9) dat soort dingen zegt, hou ik  zo van hem.

Maar nu even onder ons: ik vind Max niet zo’n heel goeie voetballer. Hij heeft geen body, en geen vertrouwen. Laat zich makkelijk van de bal zetten en krijgt de bal ook niet lekker omhoog. Max is een beetje een wannabe. Hij wil heel graag Suarez zijn, of Pelle, of Eriksson. Hij kijkt ook goed naar ze. Zaterdag zag ik weer zoiets moois. Bij het inspelen kreeg hij een bal een beetje achter zich. Hij liet zich schuin naar achteren vallen en en kopte de bal half vallend in tegengestelde richting. Zag er zo mooi uit. Heeft ie vast een keer op tv gezien. Hij heeft de moves, Max, maar met moves alleen win je geen Champions League.

Zaterdag speelde hij met SDO E9 tegen Batavia E8. Uit. Max keept altijd de tweede helft (wat ie trouwens wel aardig kan) en mag de eerste helft spelen. De coach zei dat ie achterin moest staan maar Max wilde midden-midden. ‘Dan kan ik de lijnen uitzetten.’ Toen ie dat riep, sloeg ik mijn handen hoofdschuddend voor m’n ogen.

De wedstrijd begint. Max dartelt wat over het veld. Loopt af en toe een medespeler in de weg en passt wat in de voeten van de tegenstander. Maar hij heeft zelf plezier, dus wat zou het. Dan zie ik dat Pepe, een van de betere spelers van de E9, twee man passeert en de bal breed legt op een klein mannetje voor het doel. Het kleine mannetje haalt verwoestend uit en ik zie het net bollen. Het jongetje draait zich om en ik zie twee heel grote ogen in extase op me af rennen. Het is Max. Jezus. Max heeft gescoord! Hij is in die twee jaar dat ie nu op voetbal zit nog niet in de búúrt van het doel geweest. Hij rent en rent. Ik aarzel geen moment en ren ook het veld in. Te zot voor woorden maar dit is een moment om uitbundig te vieren. Als hij twee meter bij mij vandaan is lijken zijn ogen te vragen: het is echt waar hè, pap? Als een aapje vliegt hij om m’n nek. Ik heb tranen in m’n ogen en op mijn rug giert de kippenvel. Dan werp ik hem van me af, maak ik een verontschuldigend gebaar naar de scheidsrechter en haast ik me terug naar de andere ouders. Ze lachen. Gunnen mij dit moment.

Ik stuur een sms naar m’n vrouw. 1-0. Max Braun. Zeg ik. Ik stuur haar die ochtend nog drie keer een sms. 3-0 Max Braun. 4-0 Max Braun. 5-0 Max Braun. Ik weet niet wat ik zie. Hij scoort vier keer in éen helft. Bij de 3-0 loopt hij over het veld met een handje achter z’n oor, het gebaar van say my name! Bij de 4-0 juicht hij als Pelle en bij de 5-0 glijdt hij op z’n knieën over het veld met de armen uit elkaar en het hoofd theatraal naar achteren. Mijn wannabe. Maar dit keer is het de ster van het veld en na afloop is hij ‘man of the match’ en krijgt hij de aanvoerdersband mee als trofee. Meteen denk ik: hier zit een boek in. ‘Het mooiste moment met je zoon’. Die van mij was zaterdag.

Zondag, op de bank tijdens Studio Sport vroeg ik hem:

‘Max, je hebt vier keer gescoord zaterdag.’

‘Weet ik’, zei, hij.

Ik: ‘Maar besef je het wel, geloof je het wel?’

Toen zei hij: ‘Nou pap, bij die derde goal dacht ik wel even: wat gebeurt er met me? Maar ja, dat had Ronaldo ook, na zijn derde treffer tegen Osasuna, weet je nog…?”

 

 

Maarten is beter, maar Suzanne is de beste

boek van der weijdenIk heb de titel van het boek van Maarten van der Weijden bedacht. Dat ging zo. Maarten van der Weijden, wereldberoemd geworden door het behalen van een gouden olympische medaille op de 10 kilometer, die Maarten van der Weijden dus, mocht in DWDD over zijn boek vertellen (Hij wel.) Presentator Matthijs vroeg hoe zijn boek ging heten. De zwemmer, van wie ook algemeen bekend is dat hij van kanker is genezen, zei met enige twijfel in zijn stem: ‘De stelling van Van der Weijden’. Matthijs fronste de wenkbrauwen. Hij vond het nogal een bombastische titel. Maarten haastte zich er aan toe te voegen dat het nog niet helemaal zeker was dit dit de titel zou worden, maar dat hij hem wel leuk vond omdat ie ooit wiskunde had gestudeerd.

Ik ging meteen naar zolder. Titels en koppen bedenken vind ik fantastisch en eerlijk gezegd vind ik mezelf er ook goed in. Ik kwam tot ‘Maarten is Beter’. Immers, hij was weer beter nadat in 2001 leukemie was geconstateerd en hij was, getuige het goud in Beijing, beter dan wie ook ter wereld in het water. Ik zocht op internet naar zijn mailadres en dat van zijn agent en mailde mijn suggestie. ‘Eventueel doe je Van der Weijden is Beter’, had ik gezegd, hoewel ik ‘Maarten is Beter’ leuker vond. Klink als een jongensboek. Maarten mailde terug, had zijn twijfels, maar zou het voorleggen aan zijn agent. Nooit meer wat gehoord. Totdat in de Volkskrant een verhaal stond over het boek van Maarten van der Weijden. Ik zag de cover en daarop stond met grote letters:

Maarten van der Weijden

BETER

Ik vond het een beetje flauw dat ik niks had gehoord maar ik mailde hem dat ik trots was dat hij mijn suggestie had overgenomen. Een dag later kreeg een gesigneerd boek opgestuurd met daarin de tekst: ‘Bedankt!’

De titel van mijn eerste boek Ga toch fietsen! heb ik ook bedacht, al heeft de uitgever er ook een kleine bijdrage aan geleverd. Mijn eerste boek gaat over mijn metamorfose van luie, dikke veertiger naar fanatieke fietsfanaat. Nieuw Amsterdam wilde een catchy titel en eventueel een link naar vaderdag. ‘Papa, ga toch fietsen!’ schoot me te binnen onder de douche. De uitgever was razend enthousiast maar schrapte het woordje ‘papa’. En terecht. Ga toch fietsen! is een toptitel. Een kreet die blijft hangen en de lading dekt.

En soms zie ik titels waarbij ik denkt: had ik die maar verzonnen. Suzanne Buis is kinderboekenschrijver maar schrijft ook voor grote mensen. Ze heeft een boek geschreven over haar dates met mannen met als titel ‘Ik date maar wat’. Daar kan ik oprecht ontroerd van raken, als je zo’n titel kunt bedenken. Mijn nieuwste boek heet Blijven genieten! en gaat over mijn fietstocht van Italië naar Nederland. Er zit een dubbele lading in. Het is een soort opvolger van Ga toch fietsen! en de kern is dat het roer omgooien één ding is maar de nieuwe koers aanhouden veel lastiger. Vandaar dat ‘blijven’. Er zit ook ironie in want het is vaak helemaal niet genieten, 10 uur per dag op de fiets zitten met een kont die voelt als aangebrande biefstuk. Ik vind hem goed, de titel. Niet briljant. Maar wel een kreet die blijft hangen. Soms vragen mensen: hoe kom je toch aan die titel? Dan zeg ik: ach, ik deed maar wat. En dan denk ik aan Suzanne Buis.

Boek Suzanne

 

Afvallen is een eitje!

THOMAS J BROWN

Ik wil niemand beledigen of publiekelijk afvallen, maar afvallen vind ik een eitje. Twee weken geleden woog ik 85 kilo. Dat is te zwaar. Ik ben een fanatieke fietser, volgende week ga ik drie dagen met vrienden naar de Ardennen om serieus heuvel-op te gaan en dat gaat met 79 kilo nu eenmaal wat prettiger dan met 85. Bovendien ben ik ooit van 96 kilo naar 79 gedaald en dan is 85 gewoon pijnlijk. Daarnaast is het natuurlijk wel de bedoeling dat ik tijdens mijn lezingen over ‘fit worden na je veertigste’, waar mijn eerste boek over gaat, een voorbeeldfunctie vervul.

Afvallen dus.

Ik ben nu twee weken bezig. Zaterdag woog ik 81.3. Zo. 3,7 kilo kwijt in twee weken. 

Ik zette dit resultaat op facebook en twitter en de reacties waren niet van de lucht. Hoe ik dat toch deed. Of ik aan de diarree was. Er werd me zelfs een toekomst als dieetgoeroe in het vooruitzicht gesteld. Maar het is zo simpel. Allereerst mijn dieet:

8:00 1 bord havermoutpap

11:00 1 appel of 1 sinaasappel

12:30 Twee bruine boterhammen met halvajam, kaas 30+ of kip.

15:30 1 appel of sinaasappel of twee droge crackers

 18:00 Avondeten wat de pot schaft. Weinig jus, geen mayonaise

22:00 1 pakje sultana.

Klaar. Meer is het niet. Ook niet minder. Maar het allerbelangrijkste (voor mij althans): niets snoepen. Ik ben daar heel spastisch in. Ik ruim de tafel af en dan liggen er op het bord van mijn dochter nog wat restanten vlokken. Drie, hooguit. Wat zou ik graag even aan mijn wijsvinger likken en ze van het bord plukken. Maar ik doe het niet.

Ik hou me aan mijn dieet en voor de rest mag ik niets. Het is net als met roken: één sigaretje gaat niet. Echt, als ik nu een bonbon neem is het verzet gebroken. Dan kan die ene bastognekoek ook wel. Joh, wat maakt nou één zo’n koekje uit? Nee, nul is nul. Moeilijk? Ja. Twee weken. Daarna interesseert het je niks meer, die zoetigheid. Nou vooruit, het intersseert je steeds minder. Je lijf went eraan en vraagt er niet meer om.

O ja, veel water drinken. Dat hoort er ook bij. Biertje en/of een wijntje moet kunnen. Ik heb nooit mijn biertje laten staan, ook niet toen ik in 2009 – ook op deze manier – 17 kilo afviel.

Dat dieet van mij is maar tijdelijk. Als ik 79 weeg ga ik weer normaal doen. Maar wel binnen de perken. Dus een keer belegen kaas of wel dat stukje worst bij de borrel. Maar intussen ben je zo gewend aan normaal eten – zo zie ik het – en denk je, mayonaise? Waarom zou ik? Suiker in de thee? Nergens goed voor. En geloof me, alles went. Zelfs koffie zonder suiker of yoghurt zonder suiker.

O ja, nog een tip. Direct na het avondeten een vol glas water. Avondeten geeft natrek. Snaaitrek. Water blust dat. 

Daarnaast sport ik veel. Drie keer in de week, soms vier. Ik geloof niet dat je dat je daar direct van afvalt, maar het motiveert wel om gezond te leven, te denken en te doen. Nu zijn er ook vast mensen die het maar saai vinden, zoals ik het doe. Het leven moet toch leuk zijn? Geloof me, ik heb een heel leuk leven. En als ik ik niet meer paars word tijdens het strikken van mijn veters, is het leven nóg leuker!

 

 

Schrijven over 7 miskramen

Foto miskramenNaast het schrijven van boeken – op 30 maart verschijnt mijn tweede, Blijven Genieten! bij Nieuw Amsterdam, over mijn fietstocht van Italië naar Nederland – werk ik voor magazines. Zoals JAN. Of de JAN. De makers zeggen JAN, de lezers hebben het over de JAN. Een werkelijk prachtig blad met uitmuntende fotografie en verhalen die er toe doen. Ik heb vier verhalen geschreven waarvan ik vind dat ze er toe doen. Over mijn metamorfose van dikke veertiger naar fitte fietser (tevens het thema van boek één, Ga toch fietsen!) mocht ik een column schrijven. Vervolgens kreeg ik acht pagina’s om Jeannette aan het woord te laten, een vrouw die haar man kwijtraakte door zinloos geweld. Het derde verhaal ging over mijn vele verliefdheden, waar ik nu even niet over ga uitweiden, en in het nummer dat nu in de winkel ligt, staat mijn verhaal over de zeven miskramen van mijn vrouw.

 

Hoeveel zei u?

7.

In 2003 kregen we Max, hij is dus nu 9, en daarna was het kommer en kwel. En ellende en verdriet. Ik heb geprobeerd het zo eerlijk en openhartig mogelijk te vertellen. Zonder te veel opgelegde emotie (show, don’t tell noemen ze dat in bladenland).

Al snel kreeg ik van de hoofdredacteur van JAN te horen dat al de ontroerde reacties binnenstroomden bij de redactie. En mij bereikten, via facebook, ook prachtige berichten.

Niki: “Net gelezen, onder de indruk. Tranen aan het eind.”

Martine: “Wat een verhaal en mooi geschreven.”

Yvonne: “Prachtig en openhartig.”

Petra: “Mooi verhaal, heftig ook.”

Nathalie: “Wat een mooi verhaal, heb tranen in mijn ogen.”

En Michiel, mijn oud-collega: “Prachtig stuk. Je bent de verslaggeverij ontgroeid.”

Het was overigens niet alleen maar thumbs up. Jan vond dat ik de schaamte voorbij was en ik kreeg ook twee reacties waarin de strekking was: pijnlijk verhaal voor mensen die helemaal geen kinderen kunnen krijgen. Dat is volgens mij geen reden om het niet te schrijven, maar dat terzijde.

Eigenlijk is zo’n verhaal een boek in het klein. En net als bij mijn boeken past het mij om (soms schaamteloos) openhartig te zijn. Als ik lezers (lezeressen!) daarmee tot tranen toe kan ontroeren, dan beschouw ik schrijven als het mooiste dat er is.

Ik weeg 85.0 kilo.

weegschaal85.0 kilo.

Vanmorgen woog ik 85.0. Dat is een klap in m’n gezicht. Alsof je op je ABN Amro-app kijkt en ziet dat je 1400 euro rood staat. Of iemand tegen je zegt: ben jij eigenlijk al opa?

85.0. Dat is te zwaar. Ooit woog ik 96.4 kilo en dat is veel te zwaar. Maar sinds ik de racefiets heb ontdekt en boeken over mijn belevingen op de fiets schrijf, dat is vanaf december 2008, ben ik goed op gewicht. Sterker nog, vorig jaar, toen ik Alpe d’Huzes ging fietsen, was ik met mijn 78.2 een strakke veertiger. Het voelt voor de man op zekere leeftijd (46) uitermate prettig als ie niet meer paars wordt tijdens het veters strikken. Met weinig lichaamsvet voel je je als man op zekere leeftijd ook een stuk jonger. En frisser en fitter en beter.

Maar het is een gevecht. Vooral in de wintermaanden. Wielrennen is vooral leuk als je het met korte mouwen kan doen. En dat kan al een paar maanden niet meer. En fietsen over asfalt dat bedekt is met boomblaadjes is ronduit gevaarlijk. In de winter is het nat, donker, glad, je fietst gaat naar de ratsmodee van de pekel. Maar wat mij vooral teistert: in de winter heb ik vaak geen zin. Ik wil thuis zitten, voor de open haard, met een boek, een een kop koffie en een lekker koekje… Of twee.

In deze maanden hijs ik me naar de sportschool om te gaan spinnen, maar dat is geen hobby. Sommigen zweren erbij, maar ik ben liever buiten. Maar buiten is het koud, nat, donker. Gelukkig ben ik niet de enige. Ik krijg vaak berichtjes via twitter of whatsapp van andere fietsfanaten die vragen of ik ook zo weinig gedaan heb de afgelopen tijd. Het zijn meestal vrouwen die dit soort berichtjes sturen, mannen geven hun winterslaap niet graag toe.

85.0 dus. Dat moet 80.0 worden. Ik heb nog drie maanden. Dan is het de bedoeling dat ik de Mont Ventoux van drie kanten beklim voor mensen met ALS. Vanaf vandaag ga ik weer keihard trainen, niets meer snoepen en vroeg naar bed. Want als je ergens van afvalt, is het wel goed slapen. Als ik nu beloof dat ik op 7 juni 80.0 weeg, belooft u dan dat u een kleine bijdrage overmaakt voor mijn missie voor ALS? Veel dank! http://deelnemers.tourduals.nl/member/thomasbraun

 

 

Hoe schrijf je een tweede boek?

Layout 1

‘Waarom schrijf je geen boek over Tour for Life?’ De blik van Marion, mijn redacteur bij uitgever Nieuw Amsterdam, straalde een soort van vanzelfsprekendheid uit. Ja, waarom ook niet, dacht ik. Het is nu bijna twee jaar geleden dat mijn eerste boek verscheen. Ga toch fietsen!, mijn debuut, schreef ik min of meer uit de losse pols. Het was ook niet zo moeilijk om dat boek te schrijven, het verhaal zat al een jaar in mijn hoofd. Ik was een rokende, zuipende en veel te dikke veertiger die zijn leven had omgegooid, op de fiets 16 kilo kwijtraakte en de hoogste toppen van de Dolomieten (zo’n 2800 meter) beklom. Ik schreef mijn boek over dat traject, maar vooral ging het over mijn angsten, mijn twijfels, de zonden in mijn leven en overwinning. De overwinning op mezelf.

En dan boek twee. Ik weet nu: niets moeilijker dan boek twee. Want hoe gaat het: je gaat vergelijken. Ga toch fietsen! verkoopt goed (vierde druk inmiddels) onder meer door de humor, zo wordt mij nog vaak verteld. Ik wilde dus dat ook om mijn tweede boek Blijven Genieten! gelachen zou worden. Ik heb van mijn uitgever inmiddels begrepen dat er flink gelachen is om mijn nieuwe werk, dus in die missie ben ik geslaagd. Maar het is zó lastig om de humor authentiek te laten zijn, als je al een boek hebt geschreven. Blijven genieten! Is ook weer een persoonlijk relaas, net als Ga toch fietsen! Maar hoe zorg ik ervoor dat de anekdotes uit Blijven genieten! niet lijken op de anekdotes uit Ga toch fietsen!

Als schrijver heb je een grote tegenstander: de pagina’s. Het papier. Je tikt een verhaal op en de pagina’s vertellen waar het mis gaat, wanneer het te lang is, wanneer je in herhaling valt. De schrijver van een tweede boek heeft twee tegenstanders: de pagina’s en het eerste boek. Over je schouder kijkt het eerste boek steeds mee. Het schijnt dat muzikanten dit probleem ook hebben. Hoe zorgen we ervoor dat cd2 niet op cd1 gaat lijken? En hoe zorgen we ervoor dat we met cd2 niet geforceerd origineel proberen te zijn, waardoor we de plank misslaan?

Gisteren tikte ik de laatste correcties in. Boek twee is klaar. Ik had twee meelezers, die buiten een paar kritische noten erg enthousiast en ontroerd waren. En ja, ze hadden alletwee gelachen. Wat een opluchting. En straks, bij het schrijven van boek 3, kijken boek 1 en 2 mee. Ik kijk er nu al naar uit.

(Blijven genieten! verschijnt in april)

Mag ik uw blog schrijven? Zodat hij wél gelezen wordt?

“Ik heb overal een mening over”, zei een van mijn wielervrienden, die in zijn vrije tijd directielid is van een groot IT-bedrijf. “Maar als ik een blog post, en ik lees deze na, dan staat er niet wat ik denk en wat ik vind.” Ik vroeg wat er aan mankeerde. “Hij is niet pakkend, hij beklijft niet. Er zit geen spanning in, geen tempo. De vorm deugt niet. En mijn collega’s vinden ze ronduit saai.”

Hij refereerde aan mijn blogs over Tour for life. “Heerlijke teksten”, zei hij lachend. “Zo beeldend, ongelooflijk. Als ik jouw blogs lees zit ik er middenin. Ik voel wat je beschrijft, zoveel beleving.”

Ik stelde voor dat hij zijn nieuwste blog aan mij zou sturen. Ik gaf hem instructies. Hij mocht maar vijf minuten over zijn stukje doen. “Laat je gevoel spreken, spuug de woorden uit, zorg dat het barst van de tik- en taalfouten, tangconstructies en gooi de tijden gerust door elkaar. Schrijf zoals je aan de bar praat: veel woorden, niet te veel nadenken, een aantal hebben en meer als ik; ik wil geen goedlopende zin zien, alleen maar een goede mening, een vlammend betoog. Gooi de boel bij mij over de schutting en ik maak er een blog van die wél wordt gelezen.”

Zo geschiedde. Zelden zo’n taalkundige warboel gezien. Maar zijn punt was helder. Een uur later stuurde ik hem de door mij herschreven versie toe. Zijn reactie was uitzinnig. “Kijk, zó schrijf je een blog. Mijn collega’s waren wild enthousiast. Ik heb natuurlijk niet gezegd dat jij hem hebt herschreven, blijft onder ons, hè?

Dat beloofde ik. En twee dagen later kreeg ik een persbericht van hem. “Kun jij dat ook wat spannender maken, wat minder advertentie-achtig? Meer als spannend nieuwsitem, zodat de media ons nieuws wel oppakken?” Ik ben de beroerdste niet. Weer was de reactie een dag later juichend. “Wat een mooi intro, zou ik nooit zo bedacht hebben. Weet je wat jij moet doen? Voor veel meer mensen blogs en persberichten schrijven. Het is echt een wereld van verschil.”

Goeie tip. Want ik doe het graag. Niet alleen voor bedrijven, ook voor particuliere bloggers. Ik heb een e-mailadres: thomas@thomasbraun.nl De rest gaat vanzelf. Ieder z’n vak, toch?

 

 

 

Hij lijkt op m’n dochter. Alleen is ie overleden.

Hij lijkt een beetje op m’n dochter. Dezelfde witte krulletjes, blauw-groene ogen, een onvoorstelbaar lieve lach. Ook 3, schat ik. Hij heeft badschuim op zijn wangetjes en kin, het is een joch om op te vreten. ‘Hij is dus nu dood’, hoor ik de man naast me op de bank zeggen. Ik kijk in die groen-blauwe ogen van het jongetje op de foto en denk: nee. Dat kan niet. Hij ziet er zo gezond uit. Tranen branden achter me ogen. Ik ben zelf vader. Van een meisje van 3. Dit jongetje mocht niet ouder dan 3 worden. M’n hart slaat er van over.

De man naast me heet Jos van Wamel. Eigenlijk weet ik helemaal niet meer hoe we elkaar kennen. Van facebook geloof ik. Hij deed een vriendschapsverzoek en die heb ik bevestigd. Een paar dagen later belde hij. Of ik niet eens wilde praten over Energy4all. In eerste instantie dacht ik, Energy4all, is dat een nieuwe sportdrank? Nee, Energy4all is een project voor kinderen met een energiestofwisselingziekte. Deze aandoening, zo vertelt Jos me, zorgt ervoor dat kinderen die hieraan lijden vaak nog geen 16 worden. Sommigen zelfs maar 3, zoals Tim, met z’n lieve ogen en witte krulletjes.

Tim staart me aan vanuit het Energy4all magazine. Daarin zie ik dat bekende Nederlanders als Kluun, Saskia Noort, Gerard Ekdom en Frits Wester, Chiel Beelen en Erben Wennemars ook meegedaan hebben aan een actie voor dit goede doel. Jos vraagt of ik ook wat voor ze kan doen. Ik ben vereerd. Ik wil mezelf geen BN’er noemen, maar een BF’er (bekende fietser) ben ik nu toch wel, na het uitkomen van mijn boek. Of ik Johan van der Velde, de de acties ook steunt, wil interviewen op de bijeenkomst Forza4Energy4All van 24 november. Wow. Johan van der Velde. Mijn held. En centraal tijdens deze middag staan de cols de Stelvio, Gavia en Mortirolo, indrukwekkende bergen waar wielerliefhebbers met een groot hart naar hartelust kunnen beklimmen met en voor Energy4all in de eerste week van september. Dat doen ze (en u ook?) voor Tim. Die er dus niet meer is. En voor Iris, en Max, en Marit, Bas en Bram, en Benthe: kinderen die doodmoe zijn geboren en voor wie geen medicijn is. Nog niet.

Kom ook, aanstaande zaterdag. Het is bij Moeke Mooren in Appeltern. Vanaf twee uur. Of kijk even op de site.

Www.energy4all.nl

Of twitter: @doodmoegeboren

Of facebook: stichtingenergy4all.nl

Word in ieder geval vrienden met deze mensen. Bedankt.

 

 

12345